Nagrom is een samenwerkingsverband tussen RIZA, TNO en Tauw.
| Het principe van de analytische elementen methode (AEM) | |
| De potentiaaldefinitie | |
| De techniek achter de analytische elementen | |
| Berekeningsvoorbeeld | |
| Voorbeeld opstellen vergelijkingen | |
| Overspecificatie |
| Het principe
van de analytische elementen methode (AEM) In de analytische elementen methode (AEM) wordt gebruik gemaakt van analytische elementen (formules/oplossingen) voor verschillende geohydrologische eigenschappen en actoren die de grondwaterstroming beïnvloeden. Deze analytische elementen worden bijelkaar opgeteld (gesuperponeerd) en leveren een continu veld op van stijghoogtes en stromingen in de verschillende watervoerend pakketten. Van elk analytische element is op voorhand bekend hoe de invloed er van zich uitstrekt tot oneindig ver (de invloedsfunctie), maar de sterkte (zie onder) waarmee dit gebeurt moet in de meeste gevallen door berekening bepaald worden. Bijvoorbeeld: van een lijn element (stuk van een beek) met een gegeven peil is op voorhand niet bekend hoeveel water er in of uit gaat (dat noemen we de sterkte van het element). Wel is bekend hoe de grondwaterstroming en stijghoogte op een bepaald punt in de omgeving van het element wordt beïnvloed bij een gegeven sterkte. In het omgekeerde geval, dat de stijghoogte ip het punt is gegeven kunnen we de benodigde sterkte van het element ook uitrekenen. Een dergelijke werkwijze geldt ook voor andere elementen: de oplossing van een model van analytische elementen is een matrix met de sterkteverdelingen van het element. Met deze be(re)kende sterktes en de invloeds- functies van alle elementen kan op elke plaats de stijghoogte ens troming worden berekend. De werking van elementen gebruikt in NAGROM-2 Bij de modellering van NAGROM-2 is van een beperkt aantal typen analytische elementen gebruik gemaakt. Hieronder wordt de werking van elk van deze typen beschreven.
Een bijzonder aspect van lijn-elementen is dat de werking ervan kan worden beïnvloed. Door het aanpassen van de parameters "overspecificatie" en "orde" kan het element naar believen krachtiger of minder rekenintensief worden gemaakt. Simpel gezegd komt "overspecificatie" neer op het rekeninghouden met de omgeving op meerder punten langs de lijn en geeft de "orde" aan hoeveel termen er worden gebruikt in de polynoom die de variatie van de functie (stroming voor type(1), weerstand voor type(2), parametersprong voor type(3) ) van het element beschrijft. De meest-gebruikte beschikbare analytische elementen niet in NAGROM-2 Bij het aanpassen van een bestaand NAGROM model kan gebruik worden gemaakt van een groter aantal typen elementen dan nu in NAGROM-2 wordt gevonden. Hieronder worden de meest-gebruikte element typen kort beschreven.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De
techniek achter de analytische elementen methode De AEM methode gaat bij het modelleren van grondwaterstroming uit van een complexe potentiaal welke is gedefinieerd als W(z)=F+iY, waarbij F (reele deel) de potentiaalfunctie en Y (imaginaire deel) de stroomfunctie voorstelt. De eigenschap van een complexe analytische functie is dat potentiaallijnen (F=constant) en stroomlijnen (Y = constant) elkaar loodrecht snijden (Cauchy-Riemann). |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De potentiaal F voor gespannen grondwater is gedefinieerd als F = kDf-0,5kD^2, (het produkt van transmissiviteit en stijghoogte plus een constante) en voor een freatische grondwaterspiegel F = 0,5kf^2 (0,5 maal de doorlaatfactor maal de stijghoogte in het kwadraat) De definitie is zodanig gekozen zodat bij de overgang van een gespannen potentiaal naar een freatische potentiaal de continuiteit gewaarborgd is.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Links van punt P
geldt voor de potentiaaldefinitie: F = kDf-0,5kD^2
Rechts van punt P geldt voor de potentiaaldefinitie: F = 0,5kf^2 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Berekeningsvoorbeeld Het principe van de AEM methode berust op een superpositie van analytische
oplossingen. Van elk element, waarvan de sterkte bekend is (put met een bepaald
debiet) of onbekend is (waterloop met een peil), is een analytische oplossing
beschikbaar.
Voor de elementen met een onbekende sterkte worden controle punten gedefinieerd ( Voor elke controlepunt kan een vergelijking worden opgesteld waar b.v. de stijghoogte wordt berekend. Zodoende voor alle controlepunten, inclusief een randvoorwaarde (een punt waar de stijghoogte vast wordt gekozen), onstaat een stelsel vergelijkingen welke kan worden opgelost. In het voorbeeld is een situatie weergegeven van een waterloop (z1,z2) met peil=8 m, een put (zp1) met stijghoogte=12 m, een put (zp2) met debiet =1200 m3/dag en een randvoorwaarde (z0) met stijghoogte = 10 m. Door voor dit concept het stelsel vergelijkingen op te stellen en op te lossen worden de sterktes van de put en de waterloop en de randvoorwaarde (=constante) bekend. Na oplossing van het stelsel vergelijkingen kan het linker isohypsenbeeld worden berekend. In het midden van de linesink bedraagt de stijghoogte 8 m. Evenzo worden ter plaatse van de put en de integratieconstante de opgegeven waarden berekend. Andere randvoorwaarden Zoals aangegeven geldt voor stijghoogte gespecificeerde elementen de de berekening van de stijghoogte in het controlepunt. In het voorgaande is uitgegaan van een constante sterkte van het element. Ook hogere orde (lineaire, kwadratische...) verdeelde sterktes zijn mogelijk. In dit laatst geval zal het aantal controlepunten gelijk zijn aan de orde. In het voorbeeld is uitgegaan van stijghoogte gespecificeerde elementen waarvoor als voorwaarde is gesteld dat in het controlepunt de opgelegde stijghoogte moet worden berekend. Voor andere elementen zoals bijvoorbeeld inhomogeniteiten geldt een andere voorwaarde in het controlepunt. Voor een inhomogeniteiten geldt de sprong in transmissviteit (uitgedrukt in een potentiaal) als de waarde waar in het controlepunt aan moet worden voldaan. Voor peil/weerstand gedefinieerde AREL elementen wordt als voorwaarde gesteld dat in het controlepunt de stijghoogtesprong gelijk is aan de flux van het element maal de weerstand. Eenzelfde voorwaarde geldt voor AREL elementen waar |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Voorbeeld
opstellen vergelijkingen
Het stelsel vergelijkingen kan worden opgesteld door achtereenvolgens ter plaatse van de punten zp1, (z1+z2)/2 en z0 de bekende stijghoogte te berekenen, volgens:
Er ontstaan 3 vergelijkingen met 3 onbekenden, te weten: Qp1,qls en C.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Overspecificatie Een bijzonder aspect van lijn-elementen is dat de werking ervan kan worden beïnvloed. Door het aanpassen van de parameters "overspecificatie" en "orde" kan het element naar believen krachtiger of minder rekenintensief worden gemaakt. Simpel gezegd komt "overspecificatie" neer op het rekeninghouden met de omgeving op meerder punten langs de lijn en geeft de "orde" aan hoeveel termen er worden gebruikt in de polynoom die de variatie van de functie (stroming voor type(1), weerstand voor type(2), parametersprong voor type(3) ) van het element beschrijft. In het algemeen geldt dat voor een element het aantal controlepunten gelijk is aan het aantal vrijheidsgraden (rode en blauw curve/markers). Door het aantal controlepunten nu groter te kiezen dan het aantal vrijheidsgraden wordt te veel informatie vastgelegd, meer vergelijkingen dan onbekenden. Zo'n stelsel kan worden opgelost door een kleinste kwadraten techniek. Als voorwaarde geldt nu niet dat in het controlepunt de opgelegde waarde gehaald moet worden, maar voor het element als geheel geldt dat de som van het kwadraat van de afwijkingen (opgelegde waarde - berekende waarde) minimaal is. Het resultaat is dat in geen enkel controlepunt wordt voldaan aan de opgelegde voorwaarde maar wel dat de berekende waarden als een gemiddelde tussen de opgelegde waarden inliggen (groene curve/markers). Er wordt een beter resultaat verkregen.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||