Toepassing NAGROM: onderrandvoorwaarde voor modellering van
onverzadigde zone voor WINBOS
K. van Vliet (Riza , Postbus 17,8200 AA Lelystad, tel: 0320-298595,
e-mail: k.vvliet@riza.rws.minvenw.nl)
Inleiding
In het project "Waterhuishouding in het Natte Hart" wordt
een verkenning uitgevoerd naar het toekomstig waterbeheer van het Natte Hart. Dit omvat
het IJsselmeergebied, het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal. Hiertoe is het
instrumentarium WINBOS ontwikkeld, waarmee verschillende strategieën voor het waterbeheer
van het Natte Hart op hun effecten kunnen worden verkend. Een ander peilbeheer in het
IJsselmeer zal door een verandering in kwel, effect hebben op het grondwater in de
binnendijkse gebieden. Ook de verwachte klimaatverandering zal de grondwatersituatie in
het IJsselmeergebied beïnvloeden. De hydrologische situaties van de referentie- en
eerdergenoemde scenarios in het landelijk gebied zijn berekend met de landelijke
hydrologische modellen NAGROM en MOZART. Beide modellen zijn gekoppeld met het model MONA.
Modellen
De modellen zijn opgebouwd uit een topsysteem met daaronder
watervoerende pakketten gescheiden door semi-doorlatende lagen (zie figuur 1). De
bovenrandvoorwaarde bestaat uit peilen van de verschillende drainagesystemen,
voedingsweerstanden en het neerslagoverschot berekend door MOZART en MONA. In een
peilbeheerste omgeving is dit de weerstand van de deklaag en het polderpeil. Voor
elementen die open water simuleren, is de voedingsweerstand gelijk aan de weerstand van de
bodem en het peil gelijk aan het peil van het open water. De uitvoer naar MOZART bestaat
uit de grondwaterstand in het eerste watervoerende pakket en de fluxen over de bovenrand,
i.e. van het eerste watervoerend pakket naar de toplaag, per 500 bij 500 m, die MONA omzet
naar een flux van het eerst aquifer naar het freatische pakket. (zie figuur 2 en figuur
3).
Voor WINBOS is het IJsselmeermodel gemaakt door 4 deelmodellen uit
NAGROM te koppelen door eigenschappen van de watervoerende pakketten en scheidende lagen
goed aan te laten sluiten. Dit IJsselmeermodel is vervolgens verder opgeknipt in 11
deelmodellen en verfijnd om de kwel en infiltratie beter te modelleren. Dit is gedaan door
weerstands- en peilwaarden per 500 m te variëren met VARELS (Variable strength ARea
ELements). De Varels zorgen ervoor dat de hoeveelheid kwel in de randen van de open
wateren meer nauwkeurig benaderd worden.
MOZART simuleert de onverzadigde zone door middel van verticale
grondwaterstromingen door een kolom (geschematiseerd in eenheden, plots, van 500 bij 500
m). Stroming tussen aanliggende eenheden vindt plaats door neerwaartse en opwaartse
fluxen. Voor de verschillende klimaatscenarios zijn neerslaggegevens,
referentieverdamping en transpiratie van gewassen ingevoerd als randvoorwaarde. MOZART
onderscheidt drie verschillende drainagesystemen, welke respectievelijk de kanalen en
beken, sloten en drains simuleren. Voor het berekenen van de drainage wordt gebruik
gemaakt van zogenaamde drainagefuncties. Dit zijn gebroken lineaire relaties tussen
grondwaterstanden en drainagefluxen. De helling geeft de weerstand aan en het snijpunt van
de functies geeft de drainage peilen van het betreffende drainage systeem aan.
Resultaat
Figuur 2 en Figuur 3 geven de veranderingen in stijghoogtes en
fluxen van het eerste watervoerende pakket weer voor peilverhoging naar +0.4 m NAP ten
opzichte van de huidige situatie. In deze figuren zijn ook de begrenzingen van de
deelmodellen van de randmeren te zien. De fluxen zijn hier veranderingen in kwel en
infiltratie van het eerste watervoerende pakket naar de toplaag. Bij peilverhoging geven
de positieve waarden van de flux een toename van de kwel aan, en negatieve waarden afname
van infiltratie.
Het verhogen van het peil veroorzaakt een groter stijghoogteverschil
tussen de randmeren en het achterland, welke een toename van de kwel veroorzaakt. Een
verlaging van het peil heeft het tegenovergestelde effect. De effecten zijn echter gering
waar een grote stromingsweerstand is en dus ook de spreidingslengte groot is. Dit is het
geval in polders ten westen van het IJsselmeer, vanwege de grote weerstand van de deklaag
en in gebieden waar de weerstand van de eerste scheidende laag groot is, zoals bij het
Wolderwijd en het Nuldernauw. Alleen in de gebieden met zandige stuwwallen, i.e. de
Utrechtse heuvelrug bij het Gooimeer en de Veluwe bij het Veluwemeer zijn de effecten van
peilverhoging of -verlaging duidelijk. Aan de noordzijde van het Veluwemeer zijn de
fluxverschillen groter, doordat de deklaag dunner is en de eerste scheidende laag
ontbreekt.
Een stijging van het gemiddelde peil in het IJsselmeergebied naar
+0.4 m NAP, veroorzaakt een grondwaterstandsstijging van 0 tot 3 cm. De gevolgen voor de
landbouw zijn een geringe toename van de totale natschade (0.61 MFl) en een gering afname
van de totale droogteschade (0.14 MFl). Dit betekent dat wanneer het peil door het jaar
varieert de schades voor landbouw anders kunnen worden.

Figuur 1. Hydrologische top
systeem, gemodelleerd in NAGROM en MOZART. Pprim is het primaire waterpeil (bijvoorbeeld
oppervlaktewaterpeil in rivieren en kanalen). Psec is het secundaire drainage peil
(bijvoorbeeld het oppervlaktewaterpeil in sloten).
Figuur 2. Verandering van stijghoogte bij
verandering huidige peil IJsselmeer en randmeren naar +0.4m NAP

Figuur 3. Verandering in kwel en wegzijging bij verandering
huidige peil IJsselmeer en randmeren naar +0.4 m NAP

Referenties:
Haasnoot, M. en Vliet, K. van,
(2000). Effecten peilverandering IJsselmeer en klimaatverandering op de grondwatersituatie
van het IJsselmeergebied, RIZA werkdocument 2000.033x.
Van Vliet K., W.J. De Lange, (2000).
Het gebruik van VARELS in de modellering van kwel in het IJsselmeergebied
